Constructie van het staande en gaande werk :

De Heimolen is een middelgrote 17-de eeuwse staakmolen waarvan de bouw in enige mate afwijkt van de typische Vlaamse staakmolens.
De gerestaureerde molen heeft, sinds het einde van de twintigste eeuw, met zijn nieuwe rode zeilen en de eikenhouten singels op de voorweeg en op het zadeldak zijn oude glorie herwonnen. De typische rode kleur van de Vlaamse zeilen komt van bolus, een rode kleisoort gemengd met water, lijnolie en vet, waarmee het linnen wordt ingestreken.
De standaard of molenvoet staat op vier teerlingen, welke juist in de vier hoofdwindrichtingen staan.
Als je het staande werk van de molen nu bekijkt valt het op dat er nog vele originele eiken balken bewaard zijn gebleven. Bij het opstellen van het restauratiedossier hebben we er op gelet dat het originele hout zo veel mogelijk bewaard bleef, temeer daar de balken van het gebinte rijk zijn aan oude inscripties.
Voor de restauratie is de molen volledig uit elkaar gehaald en door de firma Nijs naar het molenbouwersatelier in Deinze gevoerd.
Alle slechte houten onderdelen werden er nagemaakt.
Zo werden van de standaard, de kruisplaten, de steekbanden en de zetel rond de staak vervangen. De originele staak of staander bleef behouden.
Bij de heroprichting van de Heimolen in het voorjaar van 1999 hebben we goed kunnen volgen hoe de hele molenconstructie stukje bij beetje werd opgehangen aan de nieuwe centrale steenbalk. De originele steenbalk werd samen met de brasem vervangen omdat ze te sterk aangetast waren door de larven van de klopkever. In de brasem zit de lagerbus waarmee de ganse molen op zijn staak kan verdraaid worden.
Van de steenlijsten waren de bovenste balken doorgebroken omdat ze door de jaren heen zwaar belast werden. Zo werd de molen na de graanoogst keer op keer volgestouwd met een honderdtal zakken van wel 60 à 80 kg., waardoor de dikke steenlijsten gingen doorhangen en tenslotte braken. Een stuk gebroken steenlijst met zijn merkwaardige inscripties is op de meelzolder nog te bewonderen.
De nieuwe planken van de steenzolder zijn vastgenageld op oude eiken zolderkepers.
Als we de kepers nader bekijken bemerken we de vierkante gaten waar ooit het hekwerk van de wieken in paste.
De molen had tot het begin van de 20-ste eeuw wieken met houten roeden.
Zulke roeden draaiden gemiddeld 20 jaar door weer en wind en werden dan gerecupereerd om in zolderingen te verwerken. In 1905 werden de houten roeden in de wieken vervangen door geklinknagelde Verhaegen-roeden. Deze hebben het bijna 100 jaar uitgehouden. Een stuk van deze originele plaatijzeren roeden is ook nog bewaard op de molen. De nieuwe geklinknagelde roeden werden door de meester molenbouwer, Wieme, zelf vervaardig. En heel huzarenstukje!
Het grootste onderdeel van het draaiende werk zijn de wieken. Het is een typisch Oud-Vlaams gevlucht met rode zeilen op het hekwerk, dat een matig diepe zeeg heeft. Het hekwerk bevindt zich aan de linkerkant van de roeden en de uitneembare stormplanken aan de rechterkant. Het gevlucht draait rechtsom, met de wijzers van de klok mee.
Vroeger was niet alleen het gevlucht volledig uit hout maar ook de askop.
Na ongeveer 40 jaar blootgesteld te zijn geweest aan het weder was de askop rot en moest de volledige hoofdas vervangen worden. Deze as werd vervaardigd uit een goed uitgekozen rechte inheemse eik. In de wortelstronk van de eik werden kruislings twee vierkante gaten uitgehouwen waarin de roeden opgespied werden. In 1885 is de firma Van Aerschot in Herentals gestart met het gieten van ijzeren askoppen. Sindsdien zijn menig rotte askop van de hoofdas afgezaagd en vervangen door zo’n gietijzeren askop.
De hals van die askop draait in de molen op een arduinen baansteen die vastgekaveld ligt op de windpulm. De windpulm is bij onze molen een goed gekozen kromme eikenstam die de typische bolle vorm geeft aan de voorweeg.
Het smeren van de askop gebeurt met varkensvet. De originele baansteen was gebarsten en werd dan ook door een nieuwe vervangen. Aan de achterkant draait de pin van de hoofdas ook op een arduinen pinsteen.
De hoofdas bevat twee grote wielen, elk met een even aantal kammen, waarvan het achterwiel of het vangwiel het dichtst bij de askop zit. Het vangwiel is een grotendeels vernieuwd olmen wiel met kammen uit haagbeuk. De armen van zowel het vangwiel als het voorwiel zijn nog origineel en zitten bij de Heimolen doorheen de as. De steek van de kammen is juist afgesteld op de steek van de spillen in de lantaarn op het staakijzer. De spillen zijn van een andere houtsoort, essen, gemaakt dan de kammen om snelle slijtage te vermijden. Om dezelfde reden is bij de meeste molens, maar niet bij de Heimolen, ook het aantal kammen niet deelbaar door het aantal spillen, zodat bij elke toer van de wieken er een andere kam inpakt op een bepaalde spil. Spillen en kammen worden gesmeerd met bijenwas.
Het staakijzer draait in de kromme ijzerbalk. De kromming van deze zware balk vermijdt dat de kammen van het wiel ertegen aan draaien.
Het achterwiel is op de omtrek beslagen met wilgen plankjes waarop de essen blokken van de prang of vang tegen gedrukt worden bij het remmen. Het afremmen of het vangen van het gevlucht gebeurt door van op de meelzolder, met een ruk aan de vangreep, de vangvlegel uit de vangsabel te lichten. Deze zware vlegel trekt de prang rond het vangwiel dicht. Het wiel is ook uitgerust met een keervang die het wiel belet van linksom te draaien als de wind uit de richting tegenovergesteld aan de wiekenstand zou blazen.
In het voorwiel zijn enkel de kammen vernieuwd. Er werd gekozen voor essen kammen die hier inpakken op lantaarnspillen van robinea. Bovenaan kan op het voorwiel een houten tandwiel ingeschakeld worden met behulp van een hefboom die vanaf de meelzolder wordt bediend door aan een touw te trekken. Het tandwiel zit op de luias die buiten steekt onder een beschermende houten luikap.
De luias is voorzien van een gaffelwiel waarop de luireep loopt, een dik zeel zonder einde. Hiermede kunnen, ook weer van op de meelzolder, de zakken graan van de meelzolder naar de steenzolder geluid worden. De aandrijving van de luias gebeurt door de wind via het houten tandwiel of door mankracht via de luireep en het gaffelwiel. De zakken meel kunnen op hun beurt met hetzelfde mechanisme, door het luik in het balkon, naar de begane grond gebracht worden en nieuwe zakken graan in omgekeerde richting naar de meelzolder.
Aan het balkon is de trap vastgehaakt. Deze nieuwe trap werd door de leerlingen van de houtafdeling van het Damiaaninstituut vervaardigd.
De trap steunt op de molenstaart die op zijn beurt opgehangen is aan de achterste hoekstijlen van de zijwegen. De zijwegen zijn beslagen met dennen planken, het schuddeberd, waarin de ronde kijkgaten zijn gezaagd. Onderaan de trap is het kruihaspel opgehangen tussen de papen. Gans de molen kan met dit haspel gekruid worden om de wieken pal op de wind te zetten. Hiervoor wordt de ring van de kruiketting rond de kruipalen gelegd. 16 kruipalen in een cirkel rond de molen maken het mogelijk om de molen een volledige toer op zijn staak te draaien.
De molen kan malen indien de wind vlak op de opgezeilde wieken blaast.
De molenaar kan bij het kruien controleren of de wieken goed in de wind staan door naar de kleine houten molentjes, op de achterste hoekstijlen bevestigd, te kijken. Zolang dat één van beide molentjes draait moet er gekruid worden.
Graan wordt tot meel vermalen op de steenzolder.
De maalstenen worden aangedreven door het klauwijzer dat in de rijn grijpt. Onze molen heeft rijnen met vier takken, recentere rijnen hebben twee takken. De rijn zit vastgespied in de loper. Dit is de bovenliggende maalsteen. De onderliggende maalsteen of de ligger ligt vast op de vloer van de maalstoel. Bij de meeste molens zit in de rijn een vierkant gat waar de kop van het onderijzer of peer in past. Deze as dient om de afstand tussen de twee stenen van het steenkoppel te regelen en draait dus mee tijdens het malen. Aan de onderkant is de peer hiervoor voorzien van een taats waarmee deze as draait in een sporepot. De sporenpot zit boven op een pasbrug.
Ook dit mechanisme, waarop de loper draait, vindt men niet terug op de Heimolen. Er is geen peer en evenmin een sporepot aanwezig, maar wel een kretskeswerk dat verborgen zit in de ligger. Dit maakt dat het smeren van dit smeedijzeren onderdeel enkel kan gebeuren als het steenkoppel open ligt. Op de pasbrug zien we enkel de ronde houten balk die het kretskeswerk ondersteund.
De pasbrug fungeert als hefboom die in beweging kan gebracht worden door op de meelzolder aan een touw te trekken. Dit touw loopt over een houten katrol en vlegel op de steenzolder en is aan het uiteinde voorzien van een steen die de pasbrug in evenwicht houdt. De Heimolen bezit twee steenkoppels. Het voorste is vervaardigd uit basalt, een lavagesteente uit de Eifel; het achterste is een kunststeen, gegoten uit een mengsel van kwartszand, een mineraal, bauxiet, en een bindmiddel op basis van mergel.
Het graan wordt vergaard in de kaar of tremel boven de meelkuip. Via een tegen het draaiende staakijzer kloppende schoen, wordt het graan uitgeschud in het kropgat.
Door de draaiende beweging van de loper wordt het graan tussen het steenkoppel getrokken. De molenstenen zijn voorzien van een schepsel bestaande uit kerven en panden. Het graan wordt gemalen door het scherpsel dat op de ligger het spiegelbeeld is van dat op de loper.
De graanpees die van op de meelzolder wordt aangespannen regelt de helling van de schoen of schudbak. Met behulp van een tweede pees kan de schoen van het staakijzer weggetrokken worden, waardoor de graantoevoer naar het kropgat stilvalt. Het meel wordt via schrapers, bevestigd op de omtrek van de loper, naar de opening van de meelpijp in de steenkist geveegd.
De meelpijp mondt uit in de meelschuif op de meelzolder. Aan de meelschuif wordt door de molenaar een meelzak gehangen om het meel in op te vangen.